Padelletje

Spelregels & slagenSnel de basis onder de knie — en weten welke slag je wanneer speelt.

De basis
Padel speel je altijd met z’n vieren: 2 tegen 2, op een baan van 20 × 10 m met glazen wanden en gaas.
Je mag je eigen wanden gebruiken: na één stuit op jouw helft mag de bal de wand raken en speel je ’m terug.
Elke slag moet eerst in het veld stuiteren. Vliegt de bal rechtstreeks (zonder stuit) tegen de wand of het gaas aan de overkant, dan is het punt voor jou.
Twee keer stuiteren op jouw helft betekent een punt voor de tegenstander.
Gevorderd: je mag een bal ook buiten de baan (via het deurtje) terugspelen.
De service
Onderhands serveren: laat de bal eerst op de grond stuiteren en raak ’m op of onder heuphoogte.
Houd minstens één voet achter de servicelijn op de grond.
Serveer diagonaal in het servicevak van de tegenstander, net als bij tennis.
Na de stuit in het vak mag de servicebal de zijwand raken; raakt hij het gaas, dan is de service fout. Twee keer fout is een dubbele fout (punt tegen).
De telling
Zelfde als tennis: 15 – 30 – 40 – game. Zes games met 2 verschil is een set; best of 3 sets.
Bij 40-40 spelen veel clubs en competities het “gouden punt”: één beslissend punt in plaats van voordeel.
De ontvangende partij mag overal in het eigen vak staan; de partner ook.
Twijfel & etiquette
Twijfel of een bal in of uit was? Bij vriendschappelijk spelen: speel het punt over of geef ’m aan de tegenstander.
Een bal die het net raakt en toch in het juiste vak valt bij de service: opnieuw serveren (let).
Roep duidelijk “mijn” of “jouw” met je partner — communicatie wint punten.